Want als je heel graag weer aan het werk wilt, kan opluchting zomaar doorgaan voor een goede keuze.
Er is een merkwaardig moment in het leven van een professional op zoek naar een passende baan.
Je hebt al een tijdje gezocht. Gereageerd. Gesprekken gevoerd. Misschien zelfs een paar keer gedacht: dit zou zomaar iets kunnen zijn. Maar het wordt niets.
En dan komt-ie.
Die ene vacature.
Niet geweldig.
Niet slecht.
Niet bepaald jouw ding.
Maar… wél werk.
Je leest de vacature nog een keer.
Administratief medewerker gezocht.
Je denkt: Ach ja. Ik kan natuurlijk best administratief werk doen.
Dan zie je staan: flexibele werktijden.
Mooi.
Een dynamische werkomgeving.
Kan ik ook.
Geen dag hetzelfde.
Prima.
Je bent stressbestendig.
Ben ik.
Je bent bereid om alle voorkomende werkzaamheden op te pakken.
Je aarzelt.
Hoe erg kan het zijn?
En daar is-ie.
De beter-dan-niks-baan.
De beter-dan-niks-baan begint meestal heel onschuldig
Sterker nog: vaak ziet hij er in eerste instantie best aantrekkelijk uit.
Je hebt immers iets nodig.
Inkomen. Ritme. Collega’s. Een reden om ’s ochtends je bed uit te komen. Iets op je cv. Het gevoel dat je weer meedoet.
En laten we eerlijk zijn: als je al een tijdje zonder werk zit, kan het vooruitzicht van een contract behoorlijk aantrekkelijk zijn.
Je hersenen helpen daar enthousiast aan mee.
Wanneer iets schaars voelt, gaan we het namelijk anders beoordelen. Psychologen noemen dat onder meer het schaarste-effect: wat moeilijk verkrijgbaar is, krijgt in ons hoofd automatisch meer waarde.
En als werk schaars begint te voelen, kan een baan ineens heel veel aantrekkelijker lijken dan hij een week eerder zou hebben geleken.
Dan verandert:
“Dit is niet echt wat ik zoek.”
langzaam in:
“Maar misschien is het wel een goede tussenstap.”
En vervolgens in:
“Je moet ergens beginnen.”
En voor je het weet:
“Eigenlijk vind ik het best leuk om iedere ochtend om 7.12 uur een Excelbestand met 843 regels bij te werken.”
Nee. Dat vind je waarschijnlijk NIET.
Je bent gewoon opgelucht dat iemand ja tegen jou heeft gezegd.
En opluchting voelt verdacht veel als enthousiasme.
Hoe herken je de beter-dan-niks-baan?
Er zijn een paar duidelijke signalen.
1. Je overtuigt jezelf vóórdat iemand anders dat heeft gedaan
Je leest de vacature en denkt:
“Nou ja, het salaris is niet fantastisch, maar…”
“Nou ja, het is wel 50 minuten rijden, maar…”
“Nou ja, eigenlijk wil ik helemaal niet in de zorg, maar…”
“Nou ja, ik heb natuurlijk ook geen recente ervaring met dit systeem, maar…”
Dat laatste is op zichzelf prima.
Maar als je in één vacature meer ‘maars’ denkt dan in een slechte detective, is het misschien tijd om even te stoppen.

2. Je belangrijkste criterium is: ze willen mij
Dat is begrijpelijk.
Sterker nog: dat is fijn.
Na een aantal afwijzingen kan het ongelooflijk goed voelen wanneer iemand zegt:
“We zouden je graag uitnodigen.”
Je zou bijna meteen kunnen antwoorden:
“Wanneer kan ik beginnen?”
Maar let op.
Er zijn eigenlijk twee vragen:
Willen zij mij?
én:
Wil ik hen?
Dat tweede deel raakt in een langdurige zoektocht nog weleens ondergesneeuwd. Terwijl het minstens zo belangrijk is.
Een sollicitatie is geen toelatingsexamen waarbij de organisatie bepaalt of jij waardig genoeg bent om binnen te komen. Het is een kennismaking tussen twee partijen die allebei iets te kiezen hebben.
3. Je begint de vacature voor ze te schrijven
Dit is een klassieker.
Er staat: “Je bent communicatief vaardig.”
Jij denkt: “Ik ben eigenlijk niet zo’n prater, maar ik kan natuurlijk goed luisteren.”
Er staat: “Je hebt ervaring met leidinggeven.”
Jij: “Formeel niet, maar ik heb natuurlijk wel twintig jaar collega’s begeleid.”
Er staat: “Je hebt affiniteit met commerciële dienstverlening.”
Jij: “Ik heb ooit een offerte gemaakt.”
Er staat: “Je vindt het leuk om targets te behalen.”
Jij: “Ik vind het vooral leuk als dingen lukken.”

En zo bouw je langzaam een brug van jouw werkelijkheid naar hun vacature.
Nog één stap en je bent jezelf aan het vermommen als de kandidaat die zij al in gedachten hadden.
En dan hebben we nog de beter-dan-niks-klant
Die is misschien nog verraderlijker.
Want ook als zelfstandig professional kun je in deze val lopen.
Je krijgt een aanvraag.
Een opdrachtgever die eigenlijk niet zo goed bij je past.
De opdracht is vaag.
Het budget is laag.
De planning is onmogelijk.
De communicatie verloopt via zeven mensen die elkaar onderling niet helemaal begrijpen.
En ergens halverwege het eerste telefoongesprek hoor je jezelf zeggen: “Dat moet wel lukken.”
Waarom?
Omdat je omzet wilt.
En omzet voelt op een rustige maand ineens als zuurstof.
Dus accepteer je de opdracht.
En daarna gebeurt er iets merkwaardigs.
Je gaat steeds harder proberen om de opdracht tóch leuk te vinden.
Je maakt lijstjes.
Je zoekt voordelen.
Je vertelt jezelf dat je er veel van leert.
Je noemt het ‘een interessante uitdaging’.
En als iemand vraagt hoe het gaat, zeg je: “Heel divers.”
Dat is zzp-taal voor: “Ik weet niet precies wat ik aan het doen ben en ik krijg er te weinig voor betaald.”
Het echte gevaar zit niet in die ene baan
Een beter-dan-niks-baan hoeft trouwens helemaal geen ramp te zijn.
Soms is een tijdelijke baan precies wat je nodig hebt.
Soms ontdek je onverwacht dat iets veel beter bij je past dan gedacht.
En soms is een baan gewoon een baan. Niks mis mee.
Het probleem ontstaat wanneer ‘beter dan niks’ ongemerkt verandert in ‘dus blijkbaar moet ik dit maar willen.
Dan ga je jezelf aanpassen aan het werk. Aan de organisatie.
Je accepteert steeds iets meer.
De reistijd.
De cultuur.
De leidinggevende die ‘best direct’ is.
De vergaderingen die ‘nou eenmaal bij de functie horen’.
De inhoud die je eigenlijk niet interessant vindt.
De werkdruk die ‘in het begin even wennen’ is.
En voor je het weet ben je niet meer bezig met de vraag:
“Past dit werk bij mij?”
maar met:
“Hoe zorg ik ervoor dat ik hier pas?”
Dat is echt een fundamenteel verschil.
Wanhoop is een slechte loopbaanadviseur
Dit is misschien wel de belangrijkste.
Het wanhopige gevoel dat af en toe de kop opsteekt, is volkomen menselijk.
Na tien afwijzingen wil je gewoon dat nummer elf ja zegt.
Na maanden zoeken wil je gewoon weer ergens binnenlopen met een laptop onder je arm.
Na een halfjaar thuiszitten wil je gewoon kunnen zeggen: “Ik heb weer werk.”
En dus kan je blik vernauwen.
Je gaat zoeken naar wat haalbaar is, in plaats van naar wat passend is.
Dat is psychologisch goed te begrijpen. Onder druk kiezen mensen vaker voor directe verlichting dan voor iets waarvan de opbrengst verder weg ligt.
De beter-dan-niks-baan geeft namelijk onmiddellijk iets: opluchting.
Maar opluchting is niet hetzelfde als een goede keuze.
Het is alleen het verdwijnen van spanning.
En dat verschil is belangrijk.

Dus: wat doe je als de beter-dan-niks-baan zich aandient?
Niet meteen “nee” zeggen.
Maar ook niet meteen “ja”.
Doe iets veel radicalers: Stel jezelf een paar vervelende vragen.
Vraag 1: Zou ik deze baan ook willen als ik morgen drie andere mogelijkheden kreeg?
Als het antwoord nee is, weet je iets.
Niet alles. Maar wel iets.
Vraag 2: Wat hoop ik dat deze baan voor mij oplost?
Geld?
Ritme?
Eigenwaarde?
Contact met mensen?
Een gat op mijn cv?
Het gevoel dat ik weer meetel?
Daar zit vaak de echte behoefte. En misschien hoeft juist die behoefte niet door déze baan opgelost te worden.
Vraag 3: Waar ben ik nu eigenlijk naar op zoek?
En probeer daarbij niet meteen een functietitel te noemen.
Niet:
“Ik zoek een baan als projectmanager.”
Maar bijvoorbeeld:
“Ik wil werk waarin ik complexe dingen begrijpelijk mag maken, met slimme mensen samenwerk en zichtbaar resultaat zie.”
Dat geeft een veel beter kompas.
Vraag 4: Waar wil ik absoluut niet meer naar terug?
Ook heel belangrijk.
We zijn nogal geneigd om te kijken naar wat we willen. Maar je weet soms veel beter wat je níét wilt.
Geen eindeloze vergaderingen.
Geen organisatie waar alles via vijf lagen moet.
Geen werk dat alleen draait om targets.
Geen functie waarin je de hele dag achter een scherm zit.
Geen cultuur waarin iedereen druk-druk-druk als persoonlijkheidskenmerk beschouwt.
Prima. Dat zijn geen moeilijke eisen.
Dat zijn gegevens.
Gebruik ze.
En dan: het ideaalplaatje
Nu hoor ik je denken:
“Ja hoor. Ideaalplaatje. Dat klinkt prachtig. Maar ik moet wel gewoon aan het werk.”
Eens.
Je hoeft niet te wachten op de perfecte baan met een salaris van €7.400, drie vrije dagen per week, een kantoor op loopafstand, alleen maar leuke collega’s en een werkgever die jouw talenten elke ochtend persoonlijk komt bewonderen.
Het ideaalplaatje is geen verlanglijstje.
Het is een richting.
Je hoeft niet in één keer bij de ideale baan uit te komen.
Maar je kunt wel zorgen dat iedere volgende stap je een stukje dichterbij brengt.
De eerste stap niet per definitie je droombaan.
Maar wel:
- een organisatiecultuur die beter bij je past;
- werk waarin je een deel van je sterke kanten kwijt kunt;
- een sector waarin je nieuwsgierig bent;
- een omgeving waarin je meer energie krijgt dan verliest;
- of simpelweg een plek waar je weer kunt ontdekken wat je eigenlijk wilt.
Dat is iets anders dan genoegen nemen.
Dat is gericht bewegen.
Een kleine mentale truc
Als je merkt dat je heel graag wilt dat een bepaalde baan het wordt, probeer dan eens te doen alsof je hem al hébt.
Stel je voor:
Je bent aangenomen.
Je hebt getekend.
Iedereen is blij.
Je vertelt het aan je vrienden.
Je LinkedIn-profiel wordt aangepast.
En dan is het maandagochtend.
Wat gebeurt er dan?
Waar zie je jezelf zitten?
Met wie?
Waar word je blij van?
Waar krijg je nu al een beetje buikpijn van?
Wat ga je missen?
Waar kijk je naar uit?
En vooral: waarom wil je deze baan eigenlijk?
Dat laatste antwoord is vaak verrassend verhelderend.
Uiteindelijk is dit de omgekeerde sollicitatie
We zijn gewend geraakt aan het idee dat wij moeten bewijzen dat we bij een organisatie passen.
We schrijven onze cv’s.
We oefenen onze antwoorden.
We bestuderen de vacature.
We googelen de directeur.
We leren drie kernwaarden uit ons hoofd.
En tijdens het gesprek knikken we alsof ‘ondernemerschap, verbinding en eigenaarschap’ toevallig ook precies onze drie favoriete woorden zijn.
Maar misschien mogen we het ook omdraaien.
Past deze organisatie bij mij?
Past dit werk bij mij?
Past deze manier van werken bij mij?
Heb ik hier écht zin in?
Krijg ik hier energie van?
Kan ik hier iets bijdragen waar ik goed in ben?
Wil ik over een jaar nog steeds aan deze tafel zitten?
Dat zijn geen luxe vragen. Het zijn noodzakelijke vragen.
Want je werk neemt nogal wat tijd in beslag.
En je bent waarschijnlijk niet op zoek naar een baan om vervolgens je best te doen om jezelf er zo snel mogelijk weer uit te werken.
Dus mocht de wanhoop zich binnenkort weer melden…
Geef haar gerust een kop koffie.
Luister even naar haar.
Ze heeft waarschijnlijk een heel redelijk verhaal.
“We moeten nú iets.”
“Deze kans kunnen we niet laten lopen.”
“Je mag blij zijn dat ze je willen.”
“Je moet niet zo kritisch zijn.”
“Een baan is een baan.”
En misschien heeft ze zelfs een beetje gelijk… maar laat haar daarna vooral weer naar huis gaan.
Want een loopbaan is te belangrijk om hem volledig uit handen te geven aan een paniekerige versie van jezelf.
Je hoeft niet te wachten op het perfecte werk.
Je hoeft ook niet genoegen te nemen met werk waarvan je diep vanbinnen al weet: dit is beter dan niks.
Er zit nog iets tussen die twee in.
Een volgende stap.
Een goede richting.
Een baan die misschien niet perfect is, maar wel bij jou past.
Niet omdat jij jezelf eindelijk goed genoeg hebt aangepast aan het werk.
Maar omdat het werk óók een beetje moeite heeft gedaan om bij jou te passen.
En eerlijk gezegd?
Dat lijkt me een veel betere deal.

